U bevindt zich hier:

Feiten

In deze zaak gaat het om de gemeente Zwijndrecht (hierna: de gemeente) die samen met een drietal scholen (twee scholen voor voortgezet onderwijs en een MBO-instelling) in 1999 heeft afgesproken een lokaal onderwijscentrum (hierna: LOC) te realiseren. In december 2004 wordt door onder meer de gemeente en de drie onderwijsinstellingen een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin wordt afgesproken dat een stichting zal worden opgericht en dat de gemeente het LOC-gebouw zal verkopen aan deze stichting. Het schoolgebouw bestaat uit verschillende bouwdelen (A, B en C). Bouwdeel C is gesplitst in drie appartementsrechten, waaronder een ten behoeve van een sporthal.
De onderwijsinstellingen mogen ieder 1/3 van het aantal bestuursleden van de stichting benoemen. De stichtingskosten van het LOC-gebouw bedragen € 16 miljoen excl. btw. Voor de overdracht van de sporthal heeft de gemeente van de Stichting €2.380.580 vermeerderd met €452.310,20 aan btw bedongen. Voor de overdracht van de bouwdelen A en B en van de overige appartementsrechten zijn de gemeente en de Stichting eveneens te betalen bedragen overeengekomen. Het LOC-gebouw wordt dus gesplitst in appartementsrechten en in 2007 en 2008 worden de appartementsrechten geleverd voor een vergoeding van in totaal € 4 miljoen excl. btw.

Procedure

De inspecteur heeft de btw die de gemeente in 2004 en volgende jaren in aftrek heeft gebracht gecorrigeerd door het opleggen van een naheffingsaanslagen. Het bezwaar tegen deze naheffingsaanslagen is afgewezen. Rechtbank Den Haag heeft in eerste aanleg geoordeeld dat de gemeente recht heeft op btw-aftrek. Hof Den Haag oordeelde heeft de gemeente in het ongelijk gesteld en heeft geoordeeld dat de gemeente geen recht heeft op btw-aftrek. De gemeente is in cassatie gegaan.

Hoge Raad

De hofuitspraak houdt in cassatie geen stand. Het hof heeft volgens de Hoge Raad miskend dat appartementsrechten voor de heffing van de btw als afzonderlijke onroerende zaken moeten worden aangemerkt. Als regel geldt dat voor elke onroerende zaak afzonderlijk moet worden bepaald welke gevolgen aan de levering daarvan voor de heffing van btw moeten worden verbonden, ook indien verschillende onroerende zaken tegelijkertijd of nagenoeg tegelijkertijd worden geleverd aan dezelfde afnemer. De zaak moet worden verwezen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de levering van de sporthal heeft plaatsgevonden tegen betaling van een als reële vergoeding aan te merken bedrag (het bedrag is zowel door de contracterende partijen als de inspecteur aangeduid als een reële vergoeding). Hieruit volgt volgens de Hoge Raad dat de betaling die de gemeente voor de levering van de sporthal heeft bedongen, de werkelijke tegenwaarde vormt voor de geleverde sporthal. Ook volgt hieruit dat deze prijs niet slechts ten dele de levering vergoedt en de hoogte ervan niet is bepaald op basis van andere factoren die afdoen aan het vereiste rechtstreekse verband tussen de levering en de daarvoor ontvangen vergoeding. Dit betekent dat voor de heffing van btw moet worden geconcludeerd dat de sporthal onder bezwarende titel is geleverd.

De omstandigheid dat een prestatie onder bezwarende titel wordt verricht, volstaat echter niet om vast te stellen dat die prestatie deel uitmaakt van een economische activiteit waarvoor de gemeente als ondernemer wordt beschouwd. Daarvoor is vereist dat de daartoe behorende werkzaamheden duurzaam zijn, dat daarvoor vergoedingen worden betaald aan de persoon die deze verricht en dat deze naar hun aard door marktdeelnemers kunnen worden verricht. Aangenomen moet worden dat de levering van de sporthal onder bezwarende titel deel uitmaakt van een economische activiteit van de gemeente. Het is immers van algemene bekendheid dat gemeenten met betrekking tot onroerende zaken (bebouwd en onbebouwd) werkzaamheden verrichten waarvoor zij ondernemer zijn. Het voorgaande brengt mee dat belanghebbende de sporthal onder bezwarende titel heeft geleverd in haar hoedanigheid van ondernemer. Deze levering is belast.

Daarom heeft de gemeente recht op aftrek van btw die ter zake van de bouw van de sporthal aan haar in rekening is gebracht. Het verwijzingshof zal het bedrag van deze belasting moeten vaststellen. Met betrekking tot de overige bouwdelen en appartementsrechten moet het verwijzingshof de zaak opnieuw beoordelen.

bekijk onze abonnementen

Wilt u de (volledige) inhoud lezen?

Log in op BTW-PLAZA of word abonnee en krijg toegang.

BTW-PLAZA

Meld u nu aan en ga direct aan de slag

direct aanmelden

Btw-nieuws

Actueel btw-nieuws met vertaling naar de praktijk

Btw-kennis

Zelf op zoek naar voor u relevante antwoorden

Btw-tools

Handige (reken)tools voor uw btw-administratie

Btw-advies

Gratis btw-advies altijd binnen handbereik