U bevindt zich hier:

De A-G concludeert dat de gemeente alsnog recht op aftrek heeft van de aanschaf btw.

Feiten

De Poolse gemeente Ryjewo heeft een dorpshuis laten bouwen en dit aanvankelijk voor overheidsdoeleinden gebruikt. De bouwkosten omvatten ook btw. De gemeente stond ten tijde van de bouw geregistreerd als btw-plichtige en heeft in dat kader ook btw-aangifte gedaan. De gemeente heeft echter de voorbelasting niet in aftrek gebracht, omdat het dorpshuis niet voor belastbare handelingen werd gebruikt.

Vier jaar nadat de bouw van het dorpshuis is voltooid, is de aard van het gebruik aldus gewijzigd dat de gemeente het dorpshuis voortaan ook voor belastbare handelingen gaat gebruiken. De gemeente is van mening dat zij alsnog recht heeft op gedeeltelijke aftrek van de voorbelasting die aan haar ter zake van de bouw in rekening is gebracht (aanschaf-btw).

Procedure

De Poolse Belastingdienst weigert om btw terug te geven, omdat de aangeschafte goederen en diensten niet in het kader van een economische activiteit zijn verworven. De Poolse rechter heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ.

A-G

De A-G stelt dat volgens de rechtspraak van het HvJ (o.a. HvJ Imofloresmira, HvJ Lennartz) het bestaan van een recht op aftrek van voorbelasting afhankelijk is van de hoedanigheid waarin iemand op dat tijdstip handelt. Er ontstaat geen recht op aftrek van voorbelasting wanneer de ondernemer het goed niet gebruikt voor zijn economische activiteiten in de zin van art. 9 btw-richtlijn, maar voor privégebruik. Wanneer men art. 167 en art. 9 van de btw-richtlijn in onderlinge samenhang beziet, volgt volgens de A-G daaruit dat iemand die pas later btw-plichtig wordt en een privé verworven goed pas later gebruikt voor belastbare handelingen in de zin van art. 9 btw-richtlijn, naar het oordeel van het HvJ niet achteraf een recht op aftrek van voorbelasting geldend kan maken. De btw-richtlijn kent volgens de A-G geen uitdrukkelijke regeling waarbij een privé verworven goed pas a postiori wordt gebruik voor economische activiteiten. De A-G stelt dat de in de tot dusverre door het hof beoordeelde feitencomplexen waarin de voorbelasting achteraf niet in aftrek mocht worden gebracht, was de verwerver van het goed op het tijdstip van verwerving niet-belastingplichtig (HvJ zaak Waterschap) of had hij het goed pas later uitdrukkelijk in zijn onderneming ingebracht (HvJ zaak Lennartz) en ging hij er dus zelf van uit dat hij het in eerste instantie voor privédoeleinden had verworven. In deze casus liggen de feiten volgens A-G in zoverre anders, dat de verwerver een belastingplichtige is die juist niets uitdrukkelijk heeft besloten.

De A-G stelt dat in geval van een belastingplichtige die een goed verwerft dat naar zijn aard ook door hem economisch kan worden gebruikt en die nog niet kan uitsluiten dat dit goed binnen de termijn van art. 187 btw-richtlijn zal worden gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen, kan worden vermoed dat hij het goed op het tijdstip van verwerving als belastingplichtige tevens heeft verworven met het voornemen om het in een later stadium eventueel economisch te gaan gebruiken. Dit geldt in elk geval wanneer hij dit goed niet uitdrukkelijk heeft bestemd voor zijn niet-economische activiteiten en hij het goed dus heeft onttrokken aan de werkingssfeer van de btw-richtlijn.

De A-G komt tot de eindconclusie dat de gemeente alsnog recht heeft op aftrek van de voorbelasting. Volgens de A-G is de gemeente op grond van de artikelen 167, 168, 184, 185 en 187, lid 2 Btw-richtlijn en het neutraliteitsbeginsel gerechtigd tot aftrek van de voorbelasting, door middel van herziening, over haar investeringsuitgaven wanneer zij daarmee belastbare handelingen verricht Dit geldt volgens de A-G ook wanneer het vervaardigde of verworven investeringsgoed aanvankelijk werd gebruikt voor doeleinden die niet aan de btw-heffing zijn onderworpen, maar de aard van het gebruik van het investeringsgoed later wordt gewijzigd binnen de periode van art. 187 btw-richtlijn (minimaal 5 jaar- maximaal 20 jaar) en de gemeente het voortaan ook voor belastbare handelingen gebruikt. Daarbij is volgens de A-G niet van belang of reeds op het tijdstip van vervaardiging of verwerving het voornemen kenbaar is gemaakt om het goed in de toekomst ook voor belastbare handelingen te gebruiken. Het is evenmin van belang dat het investeringsgoed zowel voor belastbare als niet-belastbare handelingen wordt gebruikt en het niet mogelijk is de concrete investeringsuitgaven objectief toe te rekenen aan een van voornoemde categorieën handelingen.

bekijk onze abonnementen

Wilt u de (volledige) inhoud lezen?

Log in op BTW-PLAZA of word abonnee en krijg toegang.

BTW-PLAZA

Meld u nu aan en ga direct aan de slag

direct aanmelden

Btw-nieuws

Actueel btw-nieuws met vertaling naar de praktijk

Btw-kennis

Zelf op zoek naar voor u relevante antwoorden

Btw-tools

Handige (reken)tools voor uw btw-administratie

Btw-advies

Gratis btw-advies altijd binnen handbereik