U bevindt zich hier:

Rechtbank Gelderland oordeelt dat afwijzing van verzoek uitbreiding fiscale eenheid voor bewaar en beroep vatbaar is.

Feiten

Fiscale eenheid F (hierna: F) bestaat uit stichting X (hierna: X), stichting Y (hierna: Y) en stichting K (hierna: K). De ontvangsten van F bestaan voor ongeveer 99% uit vergoedingen van de rijksoverheid voor het door haar verstrekken van wettelijk geregeld basisonderwijs. Voor ongeveer 1% bestaan de ontvangsten van F uit huurinkomsten, in verband met de verhuur van enkele woningen aan voormalige directeuren, de verhuur van vrijstaande leslokalen en de verhuur van het gymlokaal. X biedt basisonderwijs aan en had oorspronkelijk schoonmaakpersoneel in dienst, waarop de onderwijs-cao van toepassing was. In verband met de hoge kosten is daarom in samenwerking met BV L (hierna: L), naar een oplossing gezocht. In dat kader heeft X in 2011 BV A (hierna: A) opgericht. A nam vervolgens personeel in dienst om de schoonmaakwerkzaamheden te verrichten, maar de overige werkzaamheden in verband met het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden, neemt L voor haar rekening. F heeft op 12 januari 2015 het verzoek ingediend om F uit te breiden met A. Bij beschikking van 13 februari 2015 heeft de inspecteur dit verzoek afgewezen. Op 19 maart 2015 heeft F hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft vervolgens het bezwaar bij brief van 12 augustus 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen bezwaar open zou staan tegen de afwijzende beschikking. Subsidiair heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

Rechtbank Gelderland

Rechtbank Gelderland oordeelt dat afwijzing van verzoek uitbreiding fiscale eenheid voor bewaar en beroep vatbaar is. De rechtbank verwijst naar art. 26, lid 1 AWR en stelt dat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter open staat indien sprake is van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Op grond van art. 1:3 van de Awb wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. In art. 7, lid 4 Wet OB is bepaald dat ondernemers die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, al dan niet op verzoek van een van hen, bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur als één ondernemer worden aangemerkt. Op grond van art. 3a van de Uitvoeringsbesch. OB in samenhang met art. 7, lid 4 Wet OB kan het verzoek tot wijziging van een fiscale eenheid gelijk gesteld worden met een verzoek tot de vorming van een fiscale eenheid. Naar het oordeel van de rechtbank moet art. 7, lid 4 Wet OB gelet op art. 1:3 van de Awb zo worden uitgelegd dat ook de afwijzing van een verzoek tot wijziging of vorming van een fiscale eenheid een voor bezwaar vatbare beschikking is (vgl. Hof Den Haag 25 april 2017, r.o. 7.6.1, met verwijzing naar Hoge Raad 14 februari 2003). Ook verwijst de Rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2006 waaruit kan worden afgeleid dat tegen een afwijzende beschikking bezwaar openstaat (zie r.o. 3.3.2.). De Hoge Raad spreekt in dit arrest namelijk over een onherroepelijke afwijzende beschikking. Dit impliceert dat bezwaar en beroep open staat tegen de beschikking. Rechtbank Gelderland stelt dat de inspecteur het bezwaar tegen de afwijzende beschikking dus ten onrecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is in zoverre gegrond.

Vervolgens wijst de rechtbank het verzoek van F om A in de fiscale eenheid te voegen toe. Volgens de rechtbank is namelijk voldaan aan de verwevenheidseisen. Ten eerste is er volgens de rechtbank sprake van financiële verwevenheid, omdat stichting X alle aandelen in A bezit. Dat L het dagelijkse bestuur over de schoonmaakwerkzaamheden heeft, maakt volgens de rechtbank namelijk nog niet dat X geen zeggenschap meer heeft over A. Ook is er volgens de rechtbank sprake van organisatorische verwevenheid. Volgens de rechtbank ligt namelijk zowel de leiding van X als van A in handen van B, zodat sprake is van een gezamenlijke leiding. Het feit dat de dagelijkse leiding over de schoonmaakwerkzaamheden, en alles wat daarbij hoort, wordt uitgevoerd door L, leidt er volgens de rechtbank niet toe dat de zeggenschap en daarmee de organisatorische verwevenheid ontbreekt. Ten aanzien van de economische verwevenheid merkt de rechtbank op dat ook daaraan is voldaan. Er is namelijk sprake van de omstandigheid waarin de activiteiten van de ene vennootschap (A) in hoofdzaak ten behoeve van de andere vennootschap (X) worden uitgeoefend.

Verder stelt de rechtbank dat geen sprake is van misbruik van recht, omdat niet uit objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van de betrokken handelingen uitsluitend erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen. Er zijn namelijk ook andere redenen voor de gekozen handelswijze. Er is ook geen sprake van een zuiver kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit. Het schoonmaakpersoneel is namelijk in dienst bij A en niet bij het externe schoonmaakbedrijf L.

bekijk onze abonnementen

Wilt u de (volledige) inhoud lezen?

Log in op BTW-PLAZA of word abonnee en krijg toegang.

BTW-PLAZA

Meld u nu aan en ga direct aan de slag

direct aanmelden

Btw-nieuws

Actueel btw-nieuws met vertaling naar de praktijk

Btw-kennis

Zelf op zoek naar voor u relevante antwoorden

Btw-tools

Handige (reken)tools voor uw btw-administratie

Btw-advies

Gratis btw-advies altijd binnen handbereik